Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR2734

Datum uitspraak2004-09-16
Datum gepubliceerd2004-09-27
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/1929 WUV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Aanvraag vervolgingsslachtoffer om toekenning van een bijzondere voorziening in de kosten van aanschaf van een auto met stuurbekrachtiging en automaat.


Uitspraak

03/1929 WUV U I T S P R A A K in het geding tussen: [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Onder dagtekening 31 maart 2003, kenmerk JZ/B70/2003, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgings-slachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift, zoals nadien nog aangevuld, is uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 augustus 2004. Aldaar is eiser in persoon verschenen met bijstand van mr. drs. C. Lamphen, advocaat te Utrecht, als zijn raadsvrouw, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. MOTIVERING Blijkens de gedingstukken is eiser, geboren in 1920, vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. In het verleden is aanvaard dat de psychische klachten en de hartklachten van eiser in verband staan met de door hem ondergane vervolging; ten aanzien van zijn knie- en rugklachten is zodanig verband niet aanvaard. In augustus 2002 heeft eiser bij verweerster een vervolgaanvraag ingediend om toekenning van een bijzondere voorziening in de kosten van aanschaf van een auto met stuurbekrachtiging en automaat. Eiser heeft daarbij, naar blijkt uit het aanvraagformulier, onder bijsluiting van een verklaring van de hem behandelend cardioloog dr. D.R. Düren van 5 augustus 2002 in eerste instantie gewezen op zijn hartklachten, waarvoor hij in 1997 een ingrijpende operatie moest ondergaan, in mei 2002 gevolgd door plaatsing van een zogenoemde pacemaker. Blijkens het daarna over zijn aanvraag opgemaakt sociaal rapport heeft eiser - mede onder verwijzing naar een bericht d.d. 21 april 2002 van de hem in Israël behandelend cardioloog prof. H. Miller - onder meer aangegeven dat hij verbeteringen bespeurt sinds hij een pacemaker heeft, dat hij regelmatig per vliegtuig reist en dat hij geen totale beperking heeft voor het openbaar vervoer. Eiser heeft toen ook aangevoerd dat hij zonder auto geen mens zou zijn en ten prooi zou vallen aan depressies vanwege het dan ontbreken van de mogelijkheid om gemakkelijk zijn vaste bridge- en andere activiteiten te bereiken en zijn bezoeken aan familie, kennissen en het strand af te leggen. Verweerster heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 28 oktober 2002, en die afwijzing na daartegen door eiser - onder inzending van een verklaring d.d. 27 februari 2003 van de hem behandelend internist dr. J. Stork en een nadere verklaring van dr. Düren voornoemd d.d. 5 maart 2003 - gemaakt bezwaar bij het bestreden besluit gehandhaafd. Daartoe is overwogen dat de gevraagde voorziening op grond van eisers voor toepassing van de Wet aanvaarde klachten niet medisch dan wel sociaal-medisch is geïndiceerd, nu bij eiser geen sprake is van een totale beperking voor alle vormen van openbaar vervoer en de taxi. Ter beantwoording staat de vraag of, gelet op hetgeen door en namens eiser in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt. Naar reeds meermalen in soortgelijke gevallen is uitgesproken acht de Raad, mede gelet op de aard van de gevraagde voorziening, het door verweerster in dezen gehanteerde uitgangspunt om eerst dan over te gaan tot toekenning van de gevraagde vergoeding of tegemoetkoming, indien sprake is van een absolute verhindering om van het openbaar vervoer of van een taxi gebruik te maken, in overeenstemming met een redelijke uitleg en toepassing van de artikelen 20 en 21 van de Wet. De omstandigheid dat aan het (veelvuldig) gebruik van een taxi hoge kosten zijn verbonden is op zichzelf daarbij niet relevant. Het standpunt van verweerster dat een zodanige situatie zich in eisers geval niet voordoet, is in overeenstemming met adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, welke adviezen berusten op bij eisers huisarts en bij de cardioloog Düren ingewonnen informatie en op eisers eigen verklaringen zoals opgenomen in het sociaal rapport, bezien in onderling verband met de door hem overgelegde medische verklaringen. In die adviezen is aangegeven dat eiser blijkens het sociaal rapport zelf heeft aangegeven dat hij regelmatig per vliegtuig reist en niet totaal beperkt is voor het openbaar vervoer, en voorts dat uit de overgelegde medische verklaringen ook niet blijkt van beperkingen op grond waarvan eiser niet van een taxi gebruik zou kunnen maken. De Raad acht het bestreden besluit op grond van de genoemde medische adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. In de voorhanden medische en andere gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunt gevonden om het in deze adviezen neergelegde, door verweerster gevolgde standpunt onjuist te oordelen. Eisers cardioloog Düren heeft in zijn aan verweersters geneeskundig adviseur gezonden informatie vermeld dat tegen het gebruik van een taxi geen bezwaar bestaat. Gelet op hetgeen eiser ter ondersteuning van zijn aanvraag heeft aangevoerd en op de door verweerster ingewonnen medische informatie, kan de Raad ook niet onderschrijven de namens eiser ter zitting van de Raad nog naar voren gebrachte grief dat verweerster ten onrechte niet nog een eigen medisch onderzoek van eiser heeft doen verrichten, waarbij dan ook eventuele psychische aspecten naar voren hadden kunnen komen. Daarbij laat de Raad wegen dat eiser zijn aanvraag in bezwaar, zoals ook al benadrukt in het aanvraagformulier, vooral op het cardiologisch aspect heeft toegespitst; verweersters geneeskundig adviseurs konden zich in verband hiermee op grond van de op dat punt verkregen medische informatie voldoende voorgelicht achten. Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten. Beslist wordt als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 september 2004. (get.) C.G. Kasdorp. (get.) A. de Gooijer. HD 16-08